Ser en Estar (Zijn)

Ser (”blijvend”)

Yo……………………..soy
Tú …………………….eres
Él/ella/usted ….…..es
Nosotro/as…….…..somos
Vosotros/as…..……sois
Ellos/as/ustedes….son

Estar (”op dit moment”)

 Yo……………………Estoy
Tú………………..….Estás
Él/ella/usted.……….Está
Nosotros/as………..Estamos
Vosotros/as………..Estáis
Ellos/as/ustedes…..Están

Drie belangrijke toepassingen die je moet weten om deze woorden goed te gebruiken:

1. Serwordt gebruikt om te verwijzen naar de essentie of identiteit van mensen, dingen, situaties, etc. (soy Gus)

2. Estarwordt gebruikt voor tijdelijke dingen. Om te verwijzen naar de staat van iets of iemand (op dit moment). (Estoy cansado)

3. UitzonderingEstar wordt ook gebruikt voor geografische locaties (Amsterdam ESTÁ en Holanda).

Ser

– Plaats van herkomst en nationaliteit (Soy argentino, eres de Holanda).

 

Materiaal waarvan iets is van gemaakt (La Mesa ES de madera).


Essentiële kwaliteiten 
(zowel fysieke als kwaliteiten met betrekking tot persoonlijkheid). ”Soy alto, soy Rubio, eres inteligente, somos buenos”.

 

Beroep “Soy profesor, soy médico, enz”.


Aansluiting bij een groep of denkbeeld
. ”Soy comunista, soy de Ajax, soy católico”.

 

Bezit  ”La casa ES mia”.

 

Persoonlijke relaties. ”ES mi amigo, ES mi novia”.

Kortom, we zijn (SOMOS) een resultaat van onze overtuigingen (religie, politiek), wat we hebben (bezit), wat we doen (roeping/beroep) en onze relaties!

Estar

 

1. Om geografische of fysieke locaties aan te geven.

¿Dónde estás (op dit moment)?
Waar ben je?
Estoy en la oficina.
Ik ben op kantoor.

Maar vergeet hier de belangrijkste uitzondering niet!

¿Dónde está Chile?
Waar is Chili?

Chile está en América del Sur.
Chili is in Zuid-Amerika.

2) Estar wordt ook gebruikt met bijvoeglijke naamwoorden om een staat of toestand uit te drukken (“hoe” iets op dit moment is).

 

¿Cómo está la sopa?
Hoe is de soep?

La sopa está fría.
De soep is koud.

¿Cómo estás tú?
Hoe gaat het met jou?

Estoy muy bien, gracias.
Het gaat goed, bedankt.

 

Ten Slotte, Estar wordt gebruikt met progressieve tijden:

Met -AR werkwoorden, vervangen we het einde van het werkwoord voor ANDO (estoy Habl-ANDO)

Voor -ER/-IR werkwoorden vervangen we het einde -IENDO

¿Qué estás comiendo?
Wat ben je aan het eten?

Estoy comiendo arroz con pollo.
Ik eet rijst met kip.

Hier een lijst met nuttige bijvoeglijke naamwoorden om met SER en ESTAR te gebruiken:

Divertido (leuk/fun)
Aburrido (saai)

Cansado (moe)
Descansado (uitgerust)

Relajado (ontspannen/relaxed)
Estresado (gespannen/gestressed)

Preocupado (bezorgd)
Tranquilo (gerust)

Bueno (goed)
Malo (slecht)

Bonito (mooi)
Feo (lelijk)

Alto (lang)
bajo (kort)

Rico (rijk)
Pobre (arm)

Gordo (dik)
Flaco (dun)

Grande (groot)
Pequeñ(klein)