Por, para, de, a, con, en… het zijn allemaal voorzetsels.
Net als in elke andere taal gebruiken we voorzetsels om de verschillende elementen van een zin aan elkaar te koppelen (richting, plaats, reden, positie, etc.). Dus, ja, ze zijn erg handig.

Ik eet IN een restaurant, jij gaat NAAR Brazilië, hij koopt een biertje VOOR zijn vriend, enz.

Hier zien we alleen een praktisch en vereenvoudigde uitleg van de meest voorkomende voorzetsels.

En dan zijn POR en PARA nog een apart verhaal. Dus hier moeten we even extra aandacht aan geven.

A: Dit voorzetsel geeft een bestemming aan. (vamos A la playa/we gaan NAAR de strand). Dus, in principe het is vergelijkbaar met de Nederlandse NAAR, of het engelse TO. Let wel op dat ik “in principe” en “vergelijkbaar” zeg, want er zijn toch soms wel verschillen. Maar voor nu het is prima om deze vergelijking aan te houden.

Bajo: onder

Con: met

Contra: tegen

DE: Dit voorzetsel kan als VAN en UIT (oorsprong) vertaald woorden (el auto es DE Juan. Juan viene DE Espana)

We gebruiken DE ook om te verwijzen naar een inhoud (un vaso DE agua, una bolsa DE cemento).

Desde: Vanaf/Sinds

Durante: Tijdens/Gedurende

EN geeft locatie aan (in, op, aan). Estoy EN Paris, La comida está EN la mesa, Estudio EN la universidad.
We gebruiken EN ook voor maanden en seizoenen (EN Enero, EN verano).

Entre: Tussen

Excepto: behalve

Hasta: tot

Según: volgens

Sin: zonder

Sobre: over

En dan nu POR en PARA. Deze zijn extra lastig. Veel mensen hebben de neiging om deze twee voorzetsels qua betekenis als onderling verwisselbaar te beschouwen, maar eigenlijk hebben POR en PARA totaal verschillende betekenissen.

En de verwarring van deze mensen is begrijpelijk. De meesten associëren POR / PARA beiden met de betekenis ‘VOOR’. Om deze twee voorzetsels goed te kunnen gebruiken, moeten we ze afzonderlijk van elkaar beschouwen en leren te gebruiken.

POR en PARA hebben verschillende toepassingen. En dat maakt de verwarring nog groter.
Maar ik houd het hier bij de meest belangrijke toepassingen:

POR

Regel: voor snelheid en frequency (in het Nederlands PER)
Voorbeeld: Voy al restaurante cinco veces POR semana. Conduzco a 100 kms POR hora.

Regel: Door (“through,”)
Voorbeeld: Caminamos por el parque.
(We lopen door het park.)

Regel: “langs,” of “in de buurt van”
Voorbeeld: Estamos por el centro. caminamos por el rio.

Regel: Tijdsduur (voor)

Voorbeeld: Yo estudio POR dos horas. Tu viajas POR dos semanas

Regel: Communicatie (via)

Voorbeeld: Hablar por teléfono. Enviar POR correo, POR Skype, POR telegrama, POR senales de humo, etc

Regel: Reden (door)

Voorbeeld: No viajo POR falta de dinero. El partido se suspende POR lluvia. Lo hago POR ti! (Ik reis niet DOOR een gebrek aan geld)
Je kan hier ook PORQUE (omdat’ / willen) met een werkwoord in plaats van een zelfstandig naamwoord gebruiken. No viajo PORQUE no tengo dinero. El Partido se suspende Porque Llueve. Lo hago Porque tu quieres. Deze optie wat informeler, dus de keuze is aan jou …

Regel: “estar + por” (op de punt staan van)
Voorbeeld: Estoy POR comer.

Regel: in passive constructies (door)
Voorbeeld: El libro fue escrito por Octavio Paz.
(het boek was door Octavio Paz geschreven)

POR wordt ook bij meerdere uitdrukkingen gebruikt:

por adelantado
Pagar POR adelantado vooraf betalen)

por ahora
Voorlopig

por casualidad (toevalig)
Aprobe el examen POR casualidad.

por ciento
percent

por cierto (trouwens)
Heel handig om een ongemakkelijke gesprek te beginnen. Por cierto, el dinero ue te preste hace 6 meses…
“Trouwens, dat geld dat je 6 maanden geleden van mij had geleend…”

por ejemplo
Voorbeeld

por eso
Daarom?/Daarvoor? Erg handig om een conclusie aan te geven. Estoy harto de la oficina, POR ESO me voy de viajar POR el mundo.

por favor
Alstublieft

por fin (eindelijk)
Eindelijk
POR FIN alguien explica este tema de manera sencilla!

por lo menos
Tenminste

por supuesto (natuurlijk)
Por supuesto hablo espanol

por suerte
Gelukkig

por último
Ten slotte

PARA in tegenstelling tot POR, heeft minder toepassingen.

Regel: richting
Voorbeeld: Este tren va para Madrid.
(Deze trein gaat richting Madrid.)

Rule: doeleinde/doelstelling (om te)
Model: El vaso es para beber agua. (het glas is om water uit te drinken)
Vamos a la playa para nadar (we gaan naar de strand om te zwemmen)

Rule: aanwijzigingen (om te)
Model: Para hacer una paella, primero cortar cebolla.
(Om een paella te maken, (moet je/men) eerst de ui snijden)

Rule: Ontvanger (voor)
Model: Este regalo es para ti.
(Dit cadeau is voor jou)

Het is heel belangrijk om deze twee voorzetsels correct te leren gebruiken, want als je per ongeluk de een in plaats van de ander gebruikt, dan kan je iets heel anders zeggen dan wat je van plan was. Kijk maar eens naar deze twee voorbeelden:

Juan compro el regalo PARA María.
Juan kocht de cadeau voor Maria.
(hij kocht het om aan haar te geven)

Juan compro el regalo POR María.
Juan kocht de cadeau vanwege Maria (ze is de reden).

“Por” en “para” kunnen ook in vragen gebruikt worden. “¿Por qué?” betekent “Waarom?” (om welke reden) terwijl “¿Para qué?” betekent “voor wat?” (met welke doel).

¿Por qué estudias español?
Om welke reden studeer je Spaans?

Mogelijk antwoord:
Porque es un requisito.
Want het is vereist.

¿Para qué estudias español?
Met welke doel studeer je Spaans?

Mogelijk antwoord:
Para ser profesor de español.
Om leraar Spaans te worden.